-----------------------------------------------------------------------------
Geschiedenis Burgkerk
Omstreeks de 10e eeuw na Christus werd
in de vlakte die een groot deel van de tegenwoordige gemeenten
Koudekerk, Hoogmade en Alkemade beslaat, een kerk gesticht. Dit
eenvoudige bouwwerkje aan de oever van de Oude Rijn bestond uit een
zaalkerkje met een toren. Uit een stuk metselwerk met grote stenen
moppen in de oostelijke muur van de toren kunnen we afleiden, dat
de toren gedeeltelijk vóór het jaar 1300 is gebouwd. De rest van de
toren is volgens het aangetroffen kleinere steenformaat omstreeks
het jaar 1400 gebouwd.
De eerste schriftelijke aanwijzing voor het
bestaan van de kerk dateert uit het jaar 1305. In dat jaar deed
Vrouwe Alveraat, weduwe van Dirk van Poelgeest, haar jaarlijkse
gift van 3 ponden aan de kerk van Koudekerk. Dirk van Poelgeest was
een kleinzoon van Gerrit I, de eerste bekende heer van Poelgeest in
Oegstgeest. Hij kocht het kasteel in Koudekerk. Dirk van Poelgeest
overleed in 1280. Het geschenk van Vrouwe Alveraat was bestemd voor
het lezen van missen voor de zielenrust van haar
echtgenoot.
Over dit kerkgebouw zijn maar weinig gegevens
bekend. De kerk bestond toen waarschijnlijk uit een klein vierkant
gebouw met een toren, waarop een hoge spits was geplaatst. Op de
hoeken van deze toren zaten nog vier kleinere spitsen. Deze
bouwvorm gaf aan dat het kerkgebouw een hoofd- of moederkerk was.
Andere kerken in het gebied waren onderhorig aan deze kerk. Het
lijkt onwaarschijnlijk dat deze kerk dezelfde is als het huidige
kerkgebouw. De fossiele overblijfselen van deze oude kerk zijn
echter nog terug te vinden in het huidige gebouw. Als je in de
huidige kerk richting de toren kijkt, zie je namelijk links en
rechts twee sleuven van het dak. Die oude kerk was dus tegen de
toren aangebouwd. De toren is vermoedelijk ouder dan dit kerkgebouw
en had naar alle kanten ramen.
De grote verbouwing
In 1392 vond een gebeurtenis plaats die grote gevolgen
zou hebben voor de kerk van Koudekerk, namelijk de moord op Aleid
van Poelgeest. De moordenaars kregen de verplichting tot
boetedoening. Zij schonken de familie Van Poelgeest een kapel. In
deze kapel moesten de zielsmissen ter nagedachtenis aan Aleid
worden gelezen. Deze kapel moet een eindje van de kerk hebben
afgestaan. Als je in het koor naar de kapel kijkt zie je namelijk
bovenin ook ramen zitten.
Na de bouw van de kapel was er echter voldoende geld om
tot een grote verbouwing over te gaan. Het doel van deze verbouwing
zal zeker geweest zijn de kerk tegen de kapel aan te bouwen. Van de
oorspronkelijke rechthoekige kerk bleef niets meer over. De
vergroting van het kerkgebouw begon waarschijnlijk met de bouw van
een groter koor. In 1453 stuurde de bisschop van Utrecht zijn
Wijbisschop Judocus, bisschop van Hiëropolis, een schriftelijke
machtiging om het koor van de kerk te wijden. In dezelfde brief
verleende hij iedereen, die na hun biecht deze mis zouden bijwonen,
veertig dagen aflaat.
Door de verbouwing werd de toren, die oorspronkelijk
tegen de kerk was aangebouwd, een onderdeel van de kerk. Grote
pilaren kwamen in de plaats van de oude muren en gaven
ondersteuning aan het dak. Door het bouwen van nieuwe zijmuren werd
het middenschip van de kerk aan weerskanten met twee smalle
gangpaden (zijbeuken) uitgebreid, die eindigden in een smal
dwarsschip (transept). Waarschijnlijk is de noordoostmuur van het
transept tegen de kapel aangebouwd: de muur is daar namelijk
tweemaal zo dik. Deze verbouwing is aan het eind van de
15e eeuw voltooid.
Aanvankelijk had de kapel van buiten geen toegang. In
1603 werd echter aan de noordoostzijde een toegangspoortje gemaakt.
Boven de ingang van dit poortje is een gebeeldhouwd masker
aangebracht.
De bouwstijl van de
kerk
De kerk is gebouwd in de gotische stijl. De gotiek was
in de middeleeuwen een reactie op de romaanse stijl. De romaanse
kerkgebouwen kenmerken zich door een koepelvormig (rond) gewelf.
Door deze constructie komt de grootste druk te staan op de
zijmuren. Een romaanse kerk heeft daardoor hoge muren en kleine
ramen. Dit maakt de kerken binnen vrij donker.
In de gotiek werd dit vermeden door het gebruik
van een spitsvormig gewelf. De kolommen waarop het dakgewelf
rustte, waren echter niet voldoende om het dak van de kerk te
dragen. Een oplossing hiervoor werd gevonden in het aanbouwen van
zijbeuken, hetgeen ook in Koudekerk is gebeurd. Aan de buitenmuren
van deze zijbeuken zitten stevige steunen. Dit zijn de zogenaamde
contreforten of steunberen. Op het grondplan is te zien dat de kerk
een driebeukig schip heeft. Het gebouw heeft een smal transept en
door de toevoeging van het koor en de kapel is het een volmaakte
kruiskerk geworden.
De gotische bouwstijl kenmerkt zich ook door
grote, hoge gebrandschilderde ramen. Daardoor viel in het algemeen
weinig licht naar binnen. In Koudekerk hebben de bouwers dit
probleem op een originele manier opgelost. De hoge ramen werden aan
de buitenkant voorzien van gemetselde topgeveltjes. Samen met de
grote ramen in het transept zorgden deze voor voldoende licht in de
kerk.
Wat de versieringen betreft, die in de gotiek aan
de binnen- en buitenkant van gebouwen werden aangebracht, is deze
kerk er maar bekaaid af gekomen. De kantelen op de pilaren zijn
vrij eenvoudig en niet afgewerkt met
ornamenten.
De protestanten
nemen de kerk over
Na het ontzet van
Leiden in 1574 hebben de watergeuzen een kleine "beeldenstorm"
veroorzaakt aan de lage zijde van de Rijn. Katholieke kerken in
Leiderdorp, Koudekerk, Oudshoorn en Woubrugge werden overgenomen
door de protestanten. Men ging daarbij rigoureus te werk. Beelden
en schilderijen van kruisgangen werden verwijderd (de muren van de
zijbeuken vertonen daarvan nog de tekenen), waarna de muren én de
pilaren werden witgekalkt. Getuige het predikantenbord in de
koorzaal ging in 1577 als eerste protestantse dominee Reynier
Jansz. voor in de kerk.
Waarschijnlijk heeft toen nog een verandering
plaatsgehad. De kansel, die in katholieke kerken meer in het midden
van de kerk stond, werd verplaatst naar de afscheiding tussen het
transept en het koor. Wellicht is er toen ook een middenpad tussen
de kerkbanken gemaakt. De plaats van de nieuwe preekstoel (met
daarachter het koor) zal niet zo'n fraai gezicht zijn
geweest.
Eind 17e of begin 18e eeuw
werd aan beide kanten van de preekstoel een fraai hekwerk
geplaatst. Dit koorhek is een geschenk van de Koudekerker Jan Dame
Verduin. Op 21 oktober 1678, zes dagen voor zijn dood, liet hij het
volgende vastleggen:
"Leggende op mijn
kranckbedde, doch sijnde van goede verstande en mijn kennis wel
gebruyckende, naast een legaat aan de diakonie-armen, groot fl.
100,- ook een dito aan de kerck, doch met dat bedingh, dat deselve
voorschr. hondert gl., geheel en al sal moeten worden besteed tot
het opmaeken van datgeene dat tot voltoyingh van de predickstoel,
't heckje voor de kerkenraed en het afsluyten van 't Choor sal
worden noodigh geoordeelt."
In het koorhek werden aan weerskanten van de preekstoel
dubbele deuren aangebracht. De plint, die de scheiding vormt tussen
deze deuren, is versierd met uitgesneden bloem- en bladmotieven.
Naast de deuren staan twee pilaren met Ionische kantelen. De
pilaren bevatten houtsnijwerk in de vorm van neerhangende trossen
met bladmotieven, eindigend in een paar kwasten en een aantal
krijgswerktuigen, waaronder een harnas, speren en
pijlen.
In 1693 ontving de kerk twee psalmborden. Een van
de borden is geschonken door de vijf kinderen uit 2 huwelijken van
Jannetje Willemsd. van Klaveren. Bij het overschilderen van dit
psalmbord met de namen Ch. W. en A. Botterman en I.C. en P.C.Keth
zijn in de loop der jaren overigens twee fouten ontstaan, de
schenkers blijken namelijk Butterman en
B.C. Keth te heten. Op het bord rechts van de
preekstoel staan de namen van W. en I. van
Klaveren.
Het rouwbord, dat uit 1717 dateert, herinnert aan
het overlijden van Alida Schellingwou, die de laatste bewoner is
geweest van het kasteel Groot-Poelgeest. Zij is niet in de kerk
begraven, al doet de aanwezigheid van het rouwbord dat wel
vermoeden. Op het rouwbord is, naast een bonte verzameling
familiewapens, aan de bovenkant een doodshoofd en aan de onderkant
een zandloper te zien. Dit zijn de symbolen van de
vergankelijkheid. In 1912 verkeerde het bord in erg slechte staat.
De heren kerkvoogden wilden het bord wel restaureren, maar konden
de geschatte restauratiekosten van ongeveer 50 tot 100 gulden niet
betalen. Daarom vroeg de geschiedschrijver W.M.C. Regt aan Barones
van Golstein van Hoekenburg, een nakomelinge van Alida van
Schellingwou, een bijdrage in de restauratiekosten. Twee jaar later
had de heer Regt op 25 gulden na de herstelkosten van diverse
instanties weten te bemachtigen. De genoemde barones zorgde voor de
rest, zodat het bord nu weer in prima staat in de kerk
hangt.
De aanbouw en verdere verfraaiing rond
1780
In het jaar 1766 kwam er in het transept een nieuwe
preekstoel met prachtig houtsnijwerk. De kosten hiervan, te weten
1.400 gulden, werden gedeeld door de kerkenraad en de ambachtsheer
J. Lans. Op de kansel en de trap zijn diverse motieven in
rococo-stijl aangebracht. De slang, die zichzelf in de staart bijt
en op die manier een cirkel vormt, is het symbool van de eeuwigheid
en oneindigheid. De korenaren verwijzen naar Christus als het brood
des Levens. Het eikenloof is symbool van de onwrikbare kracht.
Korenaren, lelies en gras verwijzen ook naar het kortstondige
aardse leven. Een andere uitleg voor de afgebeelde lelies is ook
mogelijk. Zij symboliseren het geloof: zoals lelies een kleurstof
afgeven die zich moeilijk laat verwijderen kom je ook nauwelijks
meer los van het geloof.
Gelijktijdig met de nieuwe preekstoel naderde de
herenbank van de genoemde ambachtsheer aan noordkant van het
transept zijn voltooiing. Het middelste paneel is versierd met een
stralende zon, symbool van Christus als het Licht der wereld,
omgeven door rankmotieven. Boven deze decoratie zit een koperen
houder, waaraan waarschijnlijk een kaarsarm bevestigd is geweest.
Het rechterpaneel is versierd met een knotsvormige staaf omlijst
door eikenloof: symbool van de kracht. Het linkerpaneel vertoont
een spiegel met handvat, waaromheen zich een slang kronkelt. Deze
decoraties zijn niet uitgesneden in het paneel, maar er op
bevestigd met spijkers. Het wapen midden op de luifel is van de
ambachtsheer van Koudekerk en Poelgeest, Jan Lans.
In 1780 werd de kerk
aan de zuidzijde uitgebreid met een zij-ingang en een
consistoriekamer. Het meest opvallende aan deze ingang is de grote
metalen morgenster die op het koepelvormige dak is aangebracht. Een
schilderij van de Leidse schilder Montée uit 1780 in de
consistoriekamer geeft een romantische voorstelling van deze
verbouwing. Het opmerkelijke van deze aanbouw is geweest dat men,
volgens de schilder, de oorspronkelijke steunberen tegen het koor
gewoon heeft laten zitten.
Afronding in de 20e
eeuw
Bij de grote restauratie in 1936-1937 werd het
doophek in de kerk geplaatst. Dit doophek stamt uit de
18e eeuw en is afkomstig uit de gesloopte Sint
Rosaliekerk in Rotterdam. De stijl komt overeen met die van de
preekstoel en het koorhek. Naast het gedeelte dat vanuit de kerk
zichtbaar is bestaat het doophek aan beide kanten ook uit een deel
dat in de breedte doorloopt naar het koorhek. Zowel aan de voorkant
als aan de zijkanten zijn twee deurtjes
aangebracht.
In het midden van het doophek bevindt zich een
lezenaar, die uit de 18e eeuw stamt. Bij een
doopbediening wordt aan de koperen arm, die is bevestigd aan het
draaipunt van de lezenaar, het doopbekken geplaatst. Dit zilveren
doopbekken, dat uit 1766 dateert, hangt in gewone diensten aan de
preekstoel. De arm van het doopbekken is in de "elleboog" versierd
met een vissenkop, die geldt als symbool van Christus en verwijst
naar het water van de doop.
Met het jaar 1936 breekt een periode van
ingrijpende en vaak kostbare restauraties van het kerkgebouw
aan.
RESTAURATIES
BLIJVEN NODIG
In de
loop der tijd waren al meerdere restauraties nodig voor het
instandhouden van het kerkgebouw. Zo verleende Gedeputeerde Staten
in 1827 een bijdrage van 200 gulden voor het herstel. In 1839
moeten opnieuw werkzaamheden worden verricht. Koning Willem II
schenkt hiervoor een gift van 500 gulden. De kerk kan in 1843 weer
in gebruik worden genomen. Uit de oorkonde, die in 1936 in een lege
jeneverfles werd gevonden, blijkt dat deze restauraties op
gemoedelijke wijze zijn uitgevoerd. Na de namen van de uitvoerenden
van de restauratie wordt vermeld "en J. van Egmond, leverancier
van sterke drank".
Daarna raakte het
kerkgebouw langzamerhand door verzakking in een slechte staat. De
weelderige klimop, die de gehele noordzijde van de kerk en de kapel
overwoekerde en zelfs tot in de kerk doordrong, droeg ongetwijfeld
bij aan dit verval. Een kostbare algehele restauratie was
onvermijdelijk.
1936-1937
De restauratie van 1936 - 1937 is weliswaar niet
de enige restauratie geweest, maar wel de meest ingrijpende. De
bekappingen werden gedeeltelijk vernieuwd. De kapbalken, die bij
een eerdere verbouwing waren verwijderd en waardoor het middenschip
zijn dwarsverband had verloren, werden weer aangebracht.
Verbredingen in het beton zorgden voor het versterken van de
funderingen. De zes pilaren werden ontdaan van witkalk, waardoor
pas goed zichtbaar werd hoe fraai deze gemetselde pilaren zijn. Het
houten schotwerk achter de preekstoel werd vervangen door een
glaswand, zodat men sindsdien vanuit de kerk de hele ruimte
inclusief koorzaal kan overzien.
Ook de indeling van het kerkinterieur is bij de
restauratie in 1936 ingrijpend gewijzigd. Vóór 1936 liep men bij
binnenkomst door de ingang aan de Dorpsstraat als het ware tegen
een zijbank aan die tussen de pilaren stond. Hier zat bijvoorbeeld
dokter Vlaanderen die zonodig snel de kerk kon verlaten. De banken,
die naar achteren toe enigszins opliepen, waren toen gescheiden
door een middenpad. Over het algemeen zaten de heren achterin en de
dames voor in de kerk. In die tijd was er overigens sprake van
gekochte plaatsen. Een gezin had echter meestal maar voldoende geld
voor één betaalde plaats. Deze plaats werd door de vader ingenomen,
zodat de moeder met de kinderen elders moest zitten. Als de moeder
verhinderd was verzamelden de kinderen zich voor de dienst en
werden zij door de toenmalige kostersvrouw, mevrouw Versluis, net
voor het begin van de dienst over de zitplaatsen verdeeld. Zij
lette erop, dat er niet teveel kinderen bij elkaar zaten en dat zij
niet op de voorste bank plaatsnamen, dit alles om de orde zoveel
mogelijk te handhaven.
Bij de toreningang werd een glaswand geplaatst,
zodat de kerkgangers voortaan door de zijbeuken de kerk
binnenkomen. In het nieuwe interieur ontbreekt het middenpad tussen
de banken.
Bij deze restauratie
is ook het gewelf vervangen. Het oude hout was groen geschilderd
met langs de onderrand een slinger oranje krullen. Dit hout werd te
koop aangeboden en na enige tijd verschenen in de Lagewaard dan ook
hekken in deze kleuren. Door de restauratie van 1936-1937 kreeg het
kerkgebouw zijn oorspronkelijke gotische karakter
terug.
Bij deze werkzaamheden in de crisistijd is ook
gebruik gemaakt van werklozen uit de dakpannenfabrieken uit Alphen.
Als slot van de restauratie is het kerkelijk zegel gebrandschilderd
in een raam aangebracht. Op het zegel staan de woorden: 'Lux Verbi
Vestri Fiducia Nostra" (Het licht van Uw woord is ons
vertrouwen).
In 1936 wordt ook de eerste grote verbetering tot
het verwarmen van de koude kerk getroffen. Voorheen gebruikte men
stoven, waarvoor betrokkenen aan de koster een vergoeding moesten
betalen. Bij de restauratie van 1936 zijn radiatoren geplaatst die
door een met cokes gestookte kachel op temperatuur werden gehouden.
Deze kachel stond in de Aleidakapel, die daarvoor was afgescheiden
van de koorzaal. De kachel werd de hele week door de toenmalige
koster, dhr. Vergunst, gestookt met iedere morgen twee grote
scheppen cokes, daarnaast moest ook 's avonds het vuur verzorgd
worden. Het kolenhok bevond zich toen ook in de Aleidakapel, al met
al een stoffige boel wat het nodige schoonmaakwerk voor de
kostersvrouw veroorzaakte.
Uiteindelijk bleek deze verwarming echter niet
meer te voldoen. Wegens de kou besluit de kerkvoogdij eind 1956 de
kerkdiensten voorlopig in het Verenigingsgebouw te houden:
Monumentenzorg heeft de plannen voor een nieuwe verwarming
afgekeurd en het kan nog geruime tijd duren voordat nieuwe plannen
zijn gerealiseerd. Een jaar daarna kan echter de nieuwe verwarming,
een luchtverwarmingsinstallatie met volautomatische oliestook, in
gebruik worden genomen. In totaal is drie maanden aan de vier meter
diepe kelder voor de verwarmingsinstallatie in de kapel gewerkt.
Dan worden het koor en de kapel ook weer met elkaar verenigd omdat
men in de bestaande afscheidingsmuur een toog met pilaren heeft
gebouwd.
1961
Na de aanleg van de nieuwe verwarming is in 1961
de kapel gerestaureerd. Bij deze restauratie zijn de nissen aan de
noordzijde van de kapel doorgebroken en van ramen voorzien, zoals
oorspronkelijk het geval was.
1975-1976
In 1975 bleek een nieuwe restauratie van het
kerkgebouw noodzakelijk. In het voorjaar van 1975 begonnen de
werkzaamheden. Het kerkdak en de toren werden voorzien van nieuwe
leien en het houtwerk van het dak werd, waar nodig, grondig
gerepareerd. Enige tijd na het begin van de werkzaamheden bleek ook
de kerktoren aan een grondige opknapbeurt toe, hetgeen een flinke
tegenvaller betekende: niet alleen duurde de restauratie daardoor
veel langer, maar ook stegen de kosten enorm. De aanvankelijk
begrote kosten van 100.000 gulden waren tijdens de restauratie al
opgelopen tot 200.000 gulden, maar door de werkzaamheden aan de
toren kwam het bedrag nog veel hoger te liggen. Het Rijk betaalde
het grootste deel van de kosten van de restauratie, omdat de kerk
op de monumentenlijst stond. Er bleef echter nog altijd een
behoorlijk bedrag over dat voor rekening kwam van de kerkvoogdij.
Daarom werd een geldwervingsactie gestart onder het motto "Geld uit
je zak - voor het leien dak". Een groot aantal collectanten trok de
gemeente in om geld op te halen. Daarnaast werden lepeltjes met een
afbeelding van de kerk verkocht en organiseerde de kerkvoogdij
enkele zangavonden.
Op dinsdag 28 september 1976 werd de restauratie
feestelijk afgesloten met een bijeenkomst in het gerestaureerde
gebouw. De totale restauratiekosten bedroegen 270.000
gulden.
Ongeveer een maand na de voltooiing volgde een
onverwachte tegenslag. Door roestvorming in de brugstaven van de
ramen waren breuken ontstaan in het gesteente ernaast, waardoor
neervallende grote steenbrokken een levensgevaarlijke toestand
opleverden. Alle glas-in-loodramen in de kerkruimte werden
vernieuwd en van dubbel glas voorzien, hetgeen een dure onderneming
was en tevens de nachtrust van enkele kerkvoogden kostte. Nadat de
ramen waren verwijderd hingen er namelijk lappen voor de gaten. Bij
een hevige storm hielden de heren Crucq en Jongeneel 's nachts bij
de kerk de wacht uit angst dat er iets mis zou gaan. De
uiteindelijke kosten van de restauratie kwamen met dit werk op
bijna 500.000 gulden. De financiële bijdragen van een groot aantal
Koudekerkers, ook van zogenaamde niet-kerkelijken, maakten het
herstel van de kerk mogelijk.
Na deze restauratie werd een oorkonde opgesteld.
Een afschrift hiervan werd in een kartonnen koker gedeponeerd in de
goudkleurige bol, die is aangebracht onder de haan op de toren. Dit
dient als herinnering voor het nageslacht.
1999
In 1998 bleek uit de jaarlijks uitgebrachte
rapporten van de Monumentenwacht Zuid-Holland, dat in het onderhoud
van de kerk een achterstand bestond. Bovendien gaf deze instantie
te kennen dat de voorgeschreven veiligheidsvoorzieningen aan de
kerk moesten worden aangebracht. De kerkvoogdij liet een rapport en
een "10-jaren onderhoudsplan" samenstellen. De totale
onderhoudskosten werden volgens dit plan geraamd op 500.000
gulden.
In 1999 werd een begin gemaakt met het onderhoud
aan de toren. Na het plaatsen van de steigers werd het voegwerk
zeer secuur hersteld. Vervolgens werden de wettelijk verplichte
klimhaken aangebracht en waar nodig vervangen. De galmschotten
werden voorzien van een nieuwe laag verf, de galmgaten werden met
nieuw gaas bezet om vervuiling door vogels tegen te gaan. Door het
steigerwerk kon ook het uurwerk van de toren onder handen worden
genomen. De wijzerplaten gingen naar de werkplaats van de
klokkenmaker, waar zij geheel gerestaureerd, gereinigd en van
nieuwe verlichtingselementen werden voorzien. Ook op het dak van de
kerk zijn de door de ARBO-wet verplichte klimhaken aangebracht. Om
ladders veilig op een hellend vlak te kunnen gebruiken, moeten die
namelijk door middel van haken tegen wegglijden worden verzekerd en
beveiligd. De kosten zijn naast de subsidie van de Rijksdienst voor
de Monumentenzorg o.a. gedekt door een verloting en het organiseren
van een veiling die netto fl. 72.500,00
opleverde.
2005
In 2004 heeft de Rijksdienst voor de
Monumentenzorg gewezen op het feit dat er werkzaamheden aan het
kerkgebouw gedaan moeten worden, die niet meer onder de noemer
"Groot Onderhoud" zijn onder te brengen en waarvoor een restauratie
noodzakelijk is. Een restauratieplan is opgesteld en ingediend bij
de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Op deze aanvraag is positief
gereageerd en in twee fasen zal subsidie worden verleend. Dit
betekent niettemin dat de kerkelijke gemeente nog een deel zal
moeten financieren. In het voorjaar van 2005 is hiervoor een eerste
actie gevoerd, te weten de kerkveiling.
2005 - 2006
In 2005 is ontdekt dat het houtwerk in de toren
ernstig was aangetast door de spintkever en dat snel optreden
noodzakelijk was. Fa. Van Lierop uit Alphen aan den Rijn heeft de
spintkever bestreden door de toren te "vergassen" en alle
aangetaste balken zijn gerepareerd met kunstharsen. Balken en
planken die al te ver waren aangetast zijn vervangen door
molenbouwer Verbeij uit Hoogmade. De totale kosten van deze
restauratie bedroeg €37.000, = Vanaf dat moment is de restauratie
ook vastgelegd op foto's. Digitale fotografie is in opmars, is
goedkoop en is gemakkelijk te bewaren en te
verspreiden.
2007
In het voorjaar van 2007 is men begonnen met de
eerste fase van de restauratie aan de kerk, in deze fase zijn de
koorzaal en consistorie grondig gerestaureerd en is de verwarming
in zijn geheel vervangen. In de consistorie zaten diversen
scheuren, de oorzaak was dat deze van een later stadium is dan de
kerk en de fundering onvoldoende is waardoor deze verzakt is.
Diversen opties en oplossingen werden onderzocht en de beste
oplossing bleek om een betonnen vloer te storten die rondom in de
fundering verankerd is. Op deze manier draagt het hele gewicht van
de consistorie op een groter oppervlakte zodat deze niet meer
verder zal verzakken. Onder de houten vloer kwam de originele vloer
te voorschijn. Op een dik bed van schelpen lagen grote grijze
plavuizen in het cement. Tot aan de onderkant van de fundering werd
de consistorie leeg gegraven en zijn er gaten rondom in de
fundering geboord zodat de nieuwe betonvloer goed verankerd zat. De
vloerdelen werden na geschaafd te zijn weer terug geplaatst op een
nieuwe balkenlaag. Tijdens deze fase besluiten de kerkrentmeesters
dat consistorie ook een nieuw uiterlijk moet krijgen nu ze toch
bezig zijn. Omdat dit werk niet in de begroting was opgenomen moest
dat door vrijwilligers gedaan worden. De gehele consistorie is
opnieuw geschilderd en eenvoudige witte behang werd vervangen door
sfeervol ornamenten behang.
Het college van kerkrentmeesters heeft vooral met
hulp van Dhr. W. Lekx voor €220.000 aan subsidies ontvangen, daar
stonden echter wel verplichten tegenover. Zo moest de koorzaal in
de toekomst ook voor culturele doeleinden gebruikt gaan worden en
daar was het sanitair niet op berekend. Tot nu toe was er
maar één toilet aanwezig in een hokje naast de consistorie en een
eenvoudig keukenblokje om koffie en thee uit te schenken. In de
Aleidakapel is een kleine toiletgroep met een keukentje gemaakt.
Dit alles moest van de Rijksdienst van Monumentenzorg op en
zodanige manier gemaakt worden dat het later altijd nog verwijderd
kan worden en om die reden zijn de afvoeren aan de muur opgehangen.
Ook is de koorzaal rolstoeltoegankelijk gemaakt. In de Aleidakapel
werden de muren afgebikt en van een nieuwe stuclaag voorzien. Onder
de oude stuclaag was aan het metselwerk te zien dat er vroeger iets
is dicht gemetseld en de stukadoor liet dit weer zien in de nieuwe
stuclaag door daar lijnen in te trekken. Dit is te zien rechts van
de buitendeur in de Aleidakapel. De muren in de koorzaal waren van
betere kwaliteit en daar werden alleen wat scheurtjes weggewerkt
alvorens alles opnieuw in de muurverf is gezet. De glas-in-lood
ramen werden eveneens grondig gerestaureerd, glazenier Oud Rijswijk
nam alle ramen mee naar hun atelier in Zoetermeer om ze daar te
restaureren. De dof geworden plexiglaslaag werd vervangen door
helder hardglas.
De kerk was hoognodig aan een nieuwe verwarming
toe, de oude was veel te duur in het energieverbruik en kon de kerk
in de winter niet genoeg verwarmen. Bij koud weer was een
gasverbruik van maar liefst 300 M heel
normaal.
Gekozen werd voor voetverwarming dmv een
buizenstelsel onder de banken en extra radiatoren langs de
muur, in oktober 2007 brandde de nieuwe verwarming voor het eerst
tijdens een rouwdienst. Fa de Leeuw uit Koudekerk heeft de nieuwe
verwarming geïnstalleerd.
Tijdens deze rouwdienst werd ook weer voor het
eerst gebruikt gemaakt van de zijdeur aan de noordkant van de kerk.
Door het steeds drukkere verkeer op de Hoogewaard en Bruggestraat
stond er vaak een file bij een rouw of trouwdienst en de
kerkrentmeesters zochten naar een oplossing om dit in het vervolg
te voorkomen. Nu er toch bouwmateriaal achter de kerk geplaatst
moest worden voor de restauratie heeft men dit grondig aangepakt.
Het was vooral kerkrentmeester Piet Harting die zich sterk maakte
voor het "rondje om de kerk" Op de in 1984 geruimde begraafplaats
lagen nog diversen grafstenen en alle nabestaanden werden door hem
opgezocht om te vragen of ze bezwaar hadden dat deze grafstenen in
de nieuwe bestrating verwerkt zouden worden. Daarna werd de
beplanting weggehaald en is er een nieuwe straat rond de kerk
gemaakt, ook de in en uitritten zijn breder gemaakt en voorzien van
nieuwe hekken die door gemeenteleden zijn
geschonken.
2008
Op 10 maart 2008, een dag na de
intrede dienst van Ds. F. de Ronde werd gestart met de tweede fase
van de restauratie. De kerk werd rondom, op de koorzaal na, in de
steigers gezet. De vieringtoren, het "kleine" torentje boven het
kruis van de kerk was ernstig aangetast door weersinvloeden en was
bovendien door het gewicht enkele centimeters in de kerk gezakt. Al
het loodwerk (900 kilo) is vervangen en op de kerkzolder is extra
versteviging aangebracht zodat het vieringtorentje niet verder zal
zakken. Al het metsel en voegwerk wordt nagekeken en waarnodig
vervangen. Het zink in de dakgoten is vernieuwd en ook het houtwerk
wat verrot was is vervangen. Boven de zuidingang is de metalen
latei vervangen door een van steen omdat deze door roestvorming de
muur aantaste. Schilders zijn weken bezig met de binnenmuren, deze
zijn ontdaan van loszittende verfresten wat enorm veel stofoverlast
gaf. Net als in de koorzaal zijn ook in de kerk alle glas-in-lood
ramen gerestaureerd. Veel gemeenteleden en andere
belangstellende volgden deze restauratie wekelijks via de digitale
nieuwsbrief. Kerkrentmeester Johan Vergunst maakte
veel foto's in en rond de kerk en verwerkte deze in een verslag wat
naar 125 e-mailadressen werd verstuurd. Op 3 augustus, vijf maanden
na het begin van de tweede fase kon men de kerk weer gebruiken voor
de eredienst. De officiële opening werd op donderdag 25 september
verricht door de burgemeester van Rijnwoude, mevrouw
. A. Latenstein van Voorst - Woldringh. Tijdens deze
opening sprak naast de voorzitter van de kerkenraad, Dhr. A.
Hogenes ook de architect Dhr. P. van Velzen van architectenbureau
Van der Sterre Peetoom die de hele restauratie begeleide. Op
zaterdag 27 september organiseerde het College van kerkrentmeesters
een open dag waar rond de 250 gemeenteleden en belangstellende
gebruik van maakten. Op zondag 28 september werden de festiviteiten
afgesloten met een
vesperdienst.
-----------------------------------------------------------------------------