Protestantse gemeente Koudekerk aan den Rijn en Hazerswoude Rijndijk

-----------------------------------------------------------------------------


Geschiedenis Burgkerk

Omstreeks de 10e eeuw na Christus werd in de vlakte die een groot deel van de tegenwoordige gemeenten Koudekerk, Hoogmade en Alkemade beslaat, een kerk gesticht. Dit eenvoudige bouwwerkje aan de oever van de Oude Rijn bestond uit een zaalkerkje met een toren. Uit een stuk metselwerk met grote stenen moppen in de oostelijke muur van de toren kunnen we afleiden, dat de toren gedeeltelijk vóór het jaar 1300 is gebouwd. De rest van de toren is volgens het aangetroffen kleinere steenformaat omstreeks het jaar 1400 gebouwd.
 
De eerste schriftelijke aanwijzing voor het bestaan van de kerk dateert uit het jaar 1305. In dat jaar deed Vrouwe Alveraat, weduwe van Dirk van Poelgeest, haar jaarlijkse gift van 3 ponden aan de kerk van Koudekerk. Dirk van Poelgeest was een kleinzoon van Gerrit I, de eerste bekende heer van Poelgeest in Oegstgeest. Hij kocht het kasteel in Koudekerk. Dirk van Poelgeest overleed in 1280. Het geschenk van Vrouwe Alveraat was bestemd voor het lezen van missen voor de zielenrust van haar echtgenoot.
 
Over dit kerkgebouw zijn maar weinig gegevens bekend. De kerk bestond toen waarschijnlijk uit een klein vierkant gebouw met een toren, waarop een hoge spits was geplaatst. Op de hoeken van deze toren zaten nog vier kleinere spitsen. Deze bouwvorm gaf aan dat het kerkgebouw een hoofd- of moederkerk was. Andere kerken in het gebied waren onderhorig aan deze kerk. Het lijkt onwaarschijnlijk dat deze kerk dezelfde is als het huidige kerkgebouw. De fossiele overblijfselen van deze oude kerk zijn echter nog terug te vinden in het huidige gebouw. Als je in de huidige kerk richting de toren kijkt, zie je namelijk links en rechts twee sleuven van het dak. Die oude kerk was dus tegen de toren aangebouwd. De toren is vermoedelijk ouder dan dit kerkgebouw en had naar alle kanten ramen.
 
 
De grote verbouwing
In 1392 vond een gebeurtenis plaats die grote gevolgen zou hebben voor de kerk van Koudekerk, namelijk de moord op Aleid van Poelgeest. De moordenaars kregen de verplichting tot boetedoening. Zij schonken de familie Van Poelgeest een kapel. In deze kapel moesten de zielsmissen ter nagedachtenis aan Aleid worden gelezen. Deze kapel moet een eindje van de kerk hebben afgestaan. Als je in het koor naar de kapel kijkt zie je namelijk bovenin ook ramen zitten.
Na de bouw van de kapel was er echter voldoende geld om tot een grote verbouwing over te gaan. Het doel van deze verbouwing zal zeker geweest zijn de kerk tegen de kapel aan te bouwen. Van de oorspronkelijke rechthoekige kerk bleef niets meer over. De vergroting van het kerkgebouw begon waarschijnlijk met de bouw van een groter koor. In 1453 stuurde de bisschop van Utrecht zijn Wijbisschop Judocus, bisschop van Hiëropolis, een schriftelijke machtiging om het koor van de kerk te wijden. In dezelfde brief verleende hij iedereen, die na hun biecht deze mis zouden bijwonen, veertig dagen aflaat.
Door de verbouwing werd de toren, die oorspronkelijk tegen de kerk was aangebouwd, een onderdeel van de kerk. Grote pilaren kwamen in de plaats van de oude muren en gaven ondersteuning aan het dak. Door het bouwen van nieuwe zijmuren werd het middenschip van de kerk aan weerskanten met twee smalle gangpaden (zijbeuken) uitgebreid, die eindigden in een smal dwarsschip (transept). Waarschijnlijk is de noordoostmuur van het transept tegen de kapel aangebouwd: de muur is daar namelijk tweemaal zo dik. Deze verbouwing is aan het eind van de 15e eeuw voltooid.
Aanvankelijk had de kapel van buiten geen toegang. In 1603 werd echter aan de noordoostzijde een toegangspoortje gemaakt. Boven de ingang van dit poortje is een gebeeldhouwd masker aangebracht.
 
 
De bouwstijl van de kerk
 
De kerk is gebouwd in de gotische stijl. De gotiek was in de middeleeuwen een reactie op de romaanse stijl. De romaanse kerkgebouwen kenmerken zich door een koepelvormig (rond) gewelf. Door deze constructie komt de grootste druk te staan op de zijmuren. Een romaanse kerk heeft daardoor hoge muren en kleine ramen. Dit maakt de kerken binnen vrij donker.
In de gotiek werd dit vermeden door het gebruik van een spitsvormig gewelf. De kolommen waarop het dakgewelf rustte, waren echter niet voldoende om het dak van de kerk te dragen. Een oplossing hiervoor werd gevonden in het aanbouwen van zijbeuken, hetgeen ook in Koudekerk is gebeurd. Aan de buitenmuren van deze zijbeuken zitten stevige steunen. Dit zijn de zogenaamde contreforten of steunberen. Op het grondplan is te zien dat de kerk een driebeukig schip heeft. Het gebouw heeft een smal transept en door de toevoeging van het koor en de kapel is het een volmaakte kruiskerk geworden.
 
De gotische bouwstijl kenmerkt zich ook door grote, hoge gebrandschilderde ramen. Daardoor viel in het algemeen weinig licht naar binnen. In Koudekerk hebben de bouwers dit probleem op een originele manier opgelost. De hoge ramen werden aan de buitenkant voorzien van gemetselde topgeveltjes. Samen met de grote ramen in het transept zorgden deze voor voldoende licht in de kerk.
 
Wat de versieringen betreft, die in de gotiek aan de binnen- en buitenkant van gebouwen werden aangebracht, is deze kerk er maar bekaaid af gekomen. De kantelen op de pilaren zijn vrij eenvoudig en niet afgewerkt met ornamenten.
 
De protestanten nemen de kerk over
 
Na het ontzet van Leiden in 1574 hebben de watergeuzen een kleine "beeldenstorm" veroorzaakt aan de lage zijde van de Rijn. Katholieke kerken in Leiderdorp, Koudekerk, Oudshoorn en Woubrugge werden overgenomen door de protestanten. Men ging daarbij rigoureus te werk. Beelden en schilderijen van kruisgangen werden verwijderd (de muren van de zijbeuken vertonen daarvan nog de tekenen), waarna de muren én de pilaren werden witgekalkt. Getuige het predikantenbord in de koorzaal ging in 1577 als eerste protestantse dominee Reynier Jansz. voor in de kerk.
 
Waarschijnlijk heeft toen nog een verandering plaatsgehad. De kansel, die in katholieke kerken meer in het midden van de kerk stond, werd verplaatst naar de afscheiding tussen het transept en het koor. Wellicht is er toen ook een middenpad tussen de kerkbanken gemaakt. De plaats van de nieuwe preekstoel (met daarachter het koor) zal niet zo'n fraai gezicht zijn geweest.
 
Eind 17e of begin 18e eeuw werd aan beide kanten van de preekstoel een fraai hekwerk geplaatst. Dit koorhek is een geschenk van de Koudekerker Jan Dame Verduin. Op 21 oktober 1678, zes dagen voor zijn dood, liet hij het volgende vastleggen:
"Leggende op mijn kranckbedde, doch sijnde van goede verstande en mijn kennis wel gebruyckende, naast een legaat aan de diakonie-armen, groot fl. 100,- ook een dito aan de kerck, doch met dat bedingh, dat deselve voorschr. hondert gl., geheel en al sal moeten worden besteed tot het opmaeken van datgeene dat tot voltoyingh van de predickstoel, 't heckje voor de kerkenraed en het afsluyten van 't Choor sal worden noodigh geoordeelt."
 
In het koorhek werden aan weerskanten van de preekstoel dubbele deuren aangebracht. De plint, die de scheiding vormt tussen deze deuren, is versierd met uitgesneden bloem- en bladmotieven. Naast de deuren staan twee pilaren met Ionische kantelen. De pilaren bevatten houtsnijwerk in de vorm van neerhangende trossen met bladmotieven, eindigend in een paar kwasten en een aantal krijgswerktuigen, waaronder een harnas, speren en pijlen.
 
In 1693 ontving de kerk twee psalmborden. Een van de borden is geschonken door de vijf kinderen uit 2 huwelijken van Jannetje Willemsd. van Klaveren. Bij het overschilderen van dit psalmbord met de namen Ch. W. en A. Botterman en I.C. en P.C.Keth zijn in de loop der jaren overigens twee fouten ontstaan, de schenkers blijken namelijk Butterman en B.C. Keth te heten. Op het bord rechts van de preekstoel staan de namen van W. en I. van Klaveren.
 
Het rouwbord, dat uit 1717 dateert, herinnert aan het overlijden van Alida Schellingwou, die de laatste bewoner is geweest van het kasteel Groot-Poelgeest. Zij is niet in de kerk begraven, al doet de aanwezigheid van het rouwbord dat wel vermoeden. Op het rouwbord is, naast een bonte verzameling familiewapens, aan de bovenkant een doodshoofd en aan de onderkant een zandloper te zien. Dit zijn de symbolen van de vergankelijkheid. In 1912 verkeerde het bord in erg slechte staat. De heren kerkvoogden wilden het bord wel restaureren, maar konden de geschatte restauratiekosten van ongeveer 50 tot 100 gulden niet betalen. Daarom vroeg de geschiedschrijver W.M.C. Regt aan Barones van Golstein van Hoekenburg, een nakomelinge van Alida van Schellingwou, een bijdrage in de restauratiekosten. Twee jaar later had de heer Regt op 25 gulden na de herstelkosten van diverse instanties weten te bemachtigen. De genoemde barones zorgde voor de rest, zodat het bord nu weer in prima staat in de kerk hangt.
De aanbouw en verdere verfraaiing rond 1780
In het jaar 1766 kwam er in het transept een nieuwe preekstoel met prachtig houtsnijwerk. De kosten hiervan, te weten 1.400 gulden, werden gedeeld door de kerkenraad en de ambachtsheer J. Lans. Op de kansel en de trap zijn diverse motieven in rococo-stijl aangebracht. De slang, die zichzelf in de staart bijt en op die manier een cirkel vormt, is het symbool van de eeuwigheid en oneindigheid. De korenaren verwijzen naar Christus als het brood des Levens. Het eikenloof is symbool van de onwrikbare kracht. Korenaren, lelies en gras verwijzen ook naar het kortstondige aardse leven. Een andere uitleg voor de afgebeelde lelies is ook mogelijk. Zij symboliseren het geloof: zoals lelies een kleurstof afgeven die zich moeilijk laat verwijderen kom je ook nauwelijks meer los van het geloof.
 
Gelijktijdig met de nieuwe preekstoel naderde de herenbank van de genoemde ambachtsheer aan noordkant van het transept zijn voltooiing. Het middelste paneel is versierd met een stralende zon, symbool van Christus als het Licht der wereld, omgeven door rankmotieven. Boven deze decoratie zit een koperen houder, waaraan waarschijnlijk een kaarsarm bevestigd is geweest. Het rechterpaneel is versierd met een knotsvormige staaf omlijst door eikenloof: symbool van de kracht. Het linkerpaneel vertoont een spiegel met handvat, waaromheen zich een slang kronkelt. Deze decoraties zijn niet uitgesneden in het paneel, maar er op bevestigd met spijkers. Het wapen midden op de luifel is van de ambachtsheer van Koudekerk en Poelgeest, Jan Lans.
 
In 1780 werd de kerk aan de zuidzijde uitgebreid met een zij-ingang en een consistoriekamer. Het meest opvallende aan deze ingang is de grote metalen morgenster die op het koepelvormige dak is aangebracht. Een schilderij van de Leidse schilder Montée uit 1780 in de consistoriekamer geeft een romantische voorstelling van deze verbouwing. Het opmerkelijke van deze aanbouw is geweest dat men, volgens de schilder, de oorspronkelijke steunberen tegen het koor gewoon heeft laten zitten.
 
 
Afronding in de 20e eeuw
 
Bij de grote restauratie in 1936-1937 werd het doophek in de kerk geplaatst. Dit doophek stamt uit de 18e eeuw en is afkomstig uit de gesloopte Sint Rosaliekerk in Rotterdam. De stijl komt overeen met die van de preekstoel en het koorhek. Naast het gedeelte dat vanuit de kerk zichtbaar is bestaat het doophek aan beide kanten ook uit een deel dat in de breedte doorloopt naar het koorhek. Zowel aan de voorkant als aan de zijkanten zijn twee deurtjes aangebracht.
 
In het midden van het doophek bevindt zich een lezenaar, die uit de 18e eeuw stamt. Bij een doopbediening wordt aan de koperen arm, die is bevestigd aan het draaipunt van de lezenaar, het doopbekken geplaatst. Dit zilveren doopbekken, dat uit 1766 dateert, hangt in gewone diensten aan de preekstoel. De arm van het doopbekken is in de "elleboog" versierd met een vissenkop, die geldt als symbool van Christus en verwijst naar het water van de doop.
 
Met het jaar 1936 breekt een periode van ingrijpende en vaak kostbare restauraties van het kerkgebouw aan.
 
RESTAURATIES BLIJVEN NODIG
 
In de loop der tijd waren al meerdere restauraties nodig voor het instandhouden van het kerkgebouw. Zo verleende Gedeputeerde Staten in 1827 een bijdrage van 200 gulden voor het herstel. In 1839 moeten opnieuw werkzaamheden worden verricht. Koning Willem II schenkt hiervoor een gift van 500 gulden. De kerk kan in 1843 weer in gebruik worden genomen. Uit de oorkonde, die in 1936 in een lege jeneverfles werd gevonden, blijkt dat deze restauraties op gemoedelijke wijze zijn uitgevoerd. Na de namen van de uitvoerenden van de restauratie wordt vermeld "en J. van Egmond, leverancier van sterke drank".
 
Daarna raakte het kerkgebouw langzamerhand door verzakking in een slechte staat. De weelderige klimop, die de gehele noordzijde van de kerk en de kapel overwoekerde en zelfs tot in de kerk doordrong, droeg ongetwijfeld bij aan dit verval. Een kostbare algehele restauratie was onvermijdelijk.
 
1936-1937
 
De restauratie van 1936 - 1937 is weliswaar niet de enige restauratie geweest, maar wel de meest ingrijpende. De bekappingen werden gedeeltelijk vernieuwd. De kapbalken, die bij een eerdere verbouwing waren verwijderd en waardoor het middenschip zijn dwarsverband had verloren, werden weer aangebracht. Verbredingen in het beton zorgden voor het versterken van de funderingen. De zes pilaren werden ontdaan van witkalk, waardoor pas goed zichtbaar werd hoe fraai deze gemetselde pilaren zijn. Het houten schotwerk achter de preekstoel werd vervangen door een glaswand, zodat men sindsdien vanuit de kerk de hele ruimte inclusief koorzaal kan overzien.
 
Ook de indeling van het kerkinterieur is bij de restauratie in 1936 ingrijpend gewijzigd. Vóór 1936 liep men bij binnenkomst door de ingang aan de Dorpsstraat als het ware tegen een zijbank aan die tussen de pilaren stond. Hier zat bijvoorbeeld dokter Vlaanderen die zonodig snel de kerk kon verlaten. De banken, die naar achteren toe enigszins opliepen, waren toen gescheiden door een middenpad. Over het algemeen zaten de heren achterin en de dames voor in de kerk. In die tijd was er overigens sprake van gekochte plaatsen. Een gezin had echter meestal maar voldoende geld voor één betaalde plaats. Deze plaats werd door de vader ingenomen, zodat de moeder met de kinderen elders moest zitten. Als de moeder verhinderd was verzamelden de kinderen zich voor de dienst en werden zij door de toenmalige kostersvrouw, mevrouw Versluis, net voor het begin van de dienst over de zitplaatsen verdeeld. Zij lette erop, dat er niet teveel kinderen bij elkaar zaten en dat zij niet op de voorste bank plaatsnamen, dit alles om de orde zoveel mogelijk te handhaven.
 
Bij de toreningang werd een glaswand geplaatst, zodat de kerkgangers voortaan door de zijbeuken de kerk binnenkomen. In het nieuwe interieur ontbreekt het middenpad tussen de banken.
 
Bij deze restauratie is ook het gewelf vervangen. Het oude hout was groen geschilderd met langs de onderrand een slinger oranje krullen. Dit hout werd te koop aangeboden en na enige tijd verschenen in de Lagewaard dan ook hekken in deze kleuren. Door de restauratie van 1936-1937 kreeg het kerkgebouw zijn oorspronkelijke gotische karakter terug.
Bij deze werkzaamheden in de crisistijd is ook gebruik gemaakt van werklozen uit de dakpannenfabrieken uit Alphen. Als slot van de restauratie is het kerkelijk zegel gebrandschilderd in een raam aangebracht. Op het zegel staan de woorden: 'Lux Verbi Vestri Fiducia Nostra" (Het licht van Uw woord is ons vertrouwen).
 
In 1936 wordt ook de eerste grote verbetering tot het verwarmen van de koude kerk getroffen. Voorheen gebruikte men stoven, waarvoor betrokkenen aan de koster een vergoeding moesten betalen. Bij de restauratie van 1936 zijn radiatoren geplaatst die door een met cokes gestookte kachel op temperatuur werden gehouden. Deze kachel stond in de Aleidakapel, die daarvoor was afgescheiden van de koorzaal. De kachel werd de hele week door de toenmalige koster, dhr. Vergunst, gestookt met iedere morgen twee grote scheppen cokes, daarnaast moest ook 's avonds het vuur verzorgd worden. Het kolenhok bevond zich toen ook in de Aleidakapel, al met al een stoffige boel wat het nodige schoonmaakwerk voor de kostersvrouw veroorzaakte.
 
Uiteindelijk bleek deze verwarming echter niet meer te voldoen. Wegens de kou besluit de kerkvoogdij eind 1956 de kerkdiensten voorlopig in het Verenigingsgebouw te houden: Monumentenzorg heeft de plannen voor een nieuwe verwarming afgekeurd en het kan nog geruime tijd duren voordat nieuwe plannen zijn gerealiseerd. Een jaar daarna kan echter de nieuwe verwarming, een luchtverwarmingsinstallatie met volautomatische oliestook, in gebruik worden genomen. In totaal is drie maanden aan de vier meter diepe kelder voor de verwarmingsinstallatie in de kapel gewerkt. Dan worden het koor en de kapel ook weer met elkaar verenigd omdat men in de bestaande afscheidingsmuur een toog met pilaren heeft gebouwd.
 
1961
 
Na de aanleg van de nieuwe verwarming is in 1961 de kapel gerestaureerd. Bij deze restauratie zijn de nissen aan de noordzijde van de kapel doorgebroken en van ramen voorzien, zoals oorspronkelijk het geval was.
 
1975-1976
 
In 1975 bleek een nieuwe restauratie van het kerkgebouw noodzakelijk. In het voorjaar van 1975 begonnen de werkzaamheden. Het kerkdak en de toren werden voorzien van nieuwe leien en het houtwerk van het dak werd, waar nodig, grondig gerepareerd. Enige tijd na het begin van de werkzaamheden bleek ook de kerktoren aan een grondige opknapbeurt toe, hetgeen een flinke tegenvaller betekende: niet alleen duurde de restauratie daardoor veel langer, maar ook stegen de kosten enorm. De aanvankelijk begrote kosten van 100.000 gulden waren tijdens de restauratie al opgelopen tot 200.000 gulden, maar door de werkzaamheden aan de toren kwam het bedrag nog veel hoger te liggen. Het Rijk betaalde het grootste deel van de kosten van de restauratie, omdat de kerk op de monumentenlijst stond. Er bleef echter nog altijd een behoorlijk bedrag over dat voor rekening kwam van de kerkvoogdij. Daarom werd een geldwervingsactie gestart onder het motto "Geld uit je zak - voor het leien dak". Een groot aantal collectanten trok de gemeente in om geld op te halen. Daarnaast werden lepeltjes met een afbeelding van de kerk verkocht en organiseerde de kerkvoogdij enkele zangavonden.
Op dinsdag 28 september 1976 werd de restauratie feestelijk afgesloten met een bijeenkomst in het gerestaureerde gebouw. De totale restauratiekosten bedroegen 270.000 gulden.
 
Ongeveer een maand na de voltooiing volgde een onverwachte tegenslag. Door roestvorming in de brugstaven van de ramen waren breuken ontstaan in het gesteente ernaast, waardoor neervallende grote steenbrokken een levensgevaarlijke toestand opleverden. Alle glas-in-loodramen in de kerkruimte werden vernieuwd en van dubbel glas voorzien, hetgeen een dure onderneming was en tevens de nachtrust van enkele kerkvoogden kostte. Nadat de ramen waren verwijderd hingen er namelijk lappen voor de gaten. Bij een hevige storm hielden de heren Crucq en Jongeneel 's nachts bij de kerk de wacht uit angst dat er iets mis zou gaan. De uiteindelijke kosten van de restauratie kwamen met dit werk op bijna 500.000 gulden. De financiële bijdragen van een groot aantal Koudekerkers, ook van zogenaamde niet-kerkelijken, maakten het herstel van de kerk mogelijk.
 
Na deze restauratie werd een oorkonde opgesteld. Een afschrift hiervan werd in een kartonnen koker gedeponeerd in de goudkleurige bol, die is aangebracht onder de haan op de toren. Dit dient als herinnering voor het nageslacht.
 
1999
 
In 1998 bleek uit de jaarlijks uitgebrachte rapporten van de Monumentenwacht Zuid-Holland, dat in het onderhoud van de kerk een achterstand bestond. Bovendien gaf deze instantie te kennen dat de voorgeschreven veiligheidsvoorzieningen aan de kerk moesten worden aangebracht. De kerkvoogdij liet een rapport en een "10-jaren onderhoudsplan" samenstellen. De totale onderhoudskosten werden volgens dit plan geraamd op 500.000 gulden.
In 1999 werd een begin gemaakt met het onderhoud aan de toren. Na het plaatsen van de steigers werd het voegwerk zeer secuur hersteld. Vervolgens werden de wettelijk verplichte klimhaken aangebracht en waar nodig vervangen. De galmschotten werden voorzien van een nieuwe laag verf, de galmgaten werden met nieuw gaas bezet om vervuiling door vogels tegen te gaan. Door het steigerwerk kon ook het uurwerk van de toren onder handen worden genomen. De wijzerplaten gingen naar de werkplaats van de klokkenmaker, waar zij geheel gerestaureerd, gereinigd en van nieuwe verlichtingselementen werden voorzien. Ook op het dak van de kerk zijn de door de ARBO-wet verplichte klimhaken aangebracht. Om ladders veilig op een hellend vlak te kunnen gebruiken, moeten die namelijk door middel van haken tegen wegglijden worden verzekerd en beveiligd. De kosten zijn naast de subsidie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg o.a. gedekt door een verloting en het organiseren van een veiling die netto fl. 72.500,00 opleverde.
 
2005
 
In 2004 heeft de Rijksdienst voor de Monumentenzorg gewezen op het feit dat er werkzaamheden aan het kerkgebouw gedaan moeten worden, die niet meer onder de noemer "Groot Onderhoud" zijn onder te brengen en waarvoor een restauratie noodzakelijk is. Een restauratieplan is opgesteld en ingediend bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Op deze aanvraag is positief gereageerd en in twee fasen zal subsidie worden verleend. Dit betekent niettemin dat de kerkelijke gemeente nog een deel zal moeten financieren. In het voorjaar van 2005 is hiervoor een eerste actie gevoerd, te weten de kerkveiling.
 
 
2005 - 2006
 
In 2005 is ontdekt dat het houtwerk in de toren ernstig was aangetast door de spintkever en dat snel optreden noodzakelijk was. Fa. Van Lierop uit Alphen aan den Rijn heeft de spintkever bestreden door de toren te "vergassen" en alle aangetaste balken zijn gerepareerd met kunstharsen. Balken en planken die al te ver waren aangetast zijn vervangen door molenbouwer Verbeij uit Hoogmade. De totale kosten van deze restauratie bedroeg €37.000, = Vanaf dat moment is de restauratie ook vastgelegd op foto's. Digitale fotografie is in opmars, is goedkoop en is gemakkelijk te bewaren en te verspreiden.
 
2007
 
In het voorjaar van 2007 is men begonnen met de eerste fase van de restauratie aan de kerk, in deze fase zijn de koorzaal en consistorie grondig gerestaureerd en is de verwarming in zijn geheel vervangen. In de consistorie zaten diversen scheuren, de oorzaak was dat deze van een later stadium is dan de kerk en de fundering onvoldoende is waardoor deze verzakt is. Diversen opties en oplossingen werden onderzocht en de beste oplossing bleek om een betonnen vloer te storten die rondom in de fundering verankerd is. Op deze manier draagt het hele gewicht van de consistorie op een groter oppervlakte zodat deze niet meer verder zal verzakken. Onder de houten vloer kwam de originele vloer te voorschijn. Op een dik bed van schelpen lagen grote grijze plavuizen in het cement. Tot aan de onderkant van de fundering werd de consistorie leeg gegraven en zijn er gaten rondom in de fundering geboord zodat de nieuwe betonvloer goed verankerd zat. De vloerdelen werden na geschaafd te zijn weer terug geplaatst op een nieuwe balkenlaag. Tijdens deze fase besluiten de kerkrentmeesters dat consistorie ook een nieuw uiterlijk moet krijgen nu ze toch bezig zijn. Omdat dit werk niet in de begroting was opgenomen moest dat door vrijwilligers gedaan worden. De gehele consistorie is opnieuw geschilderd en eenvoudige witte behang werd vervangen door sfeervol ornamenten behang.
 
Het college van kerkrentmeesters heeft vooral met hulp van Dhr. W. Lekx voor €220.000 aan subsidies ontvangen, daar stonden echter wel verplichten tegenover. Zo moest de koorzaal in de toekomst ook voor culturele doeleinden gebruikt gaan worden en daar was het sanitair niet op berekend.  Tot nu toe was er maar één toilet aanwezig in een hokje naast de consistorie en een eenvoudig keukenblokje om koffie en thee uit te schenken. In de Aleidakapel is een kleine toiletgroep met een keukentje gemaakt. Dit alles moest van de Rijksdienst van Monumentenzorg op en zodanige manier gemaakt worden dat het later altijd nog verwijderd kan worden en om die reden zijn de afvoeren aan de muur opgehangen. Ook is de koorzaal rolstoeltoegankelijk gemaakt. In de Aleidakapel werden de muren afgebikt en van een nieuwe stuclaag voorzien. Onder de oude stuclaag was aan het metselwerk te zien dat er vroeger iets is dicht gemetseld en de stukadoor liet dit weer zien in de nieuwe stuclaag door daar lijnen in te trekken. Dit is te zien rechts van de buitendeur in de Aleidakapel. De muren in de koorzaal waren van betere kwaliteit en daar werden alleen wat scheurtjes weggewerkt alvorens alles opnieuw in de muurverf is gezet. De glas-in-lood ramen werden eveneens grondig gerestaureerd, glazenier Oud Rijswijk nam alle ramen mee naar hun atelier in Zoetermeer om ze daar te restaureren. De dof geworden plexiglaslaag werd vervangen door helder hardglas.
 
De kerk was hoognodig aan een nieuwe verwarming toe, de oude was veel te duur in het energieverbruik en kon de kerk in de winter niet genoeg verwarmen. Bij koud weer was een gasverbruik van maar liefst 300 M heel normaal.
Gekozen werd voor voetverwarming dmv een buizenstelsel onder de banken en  extra radiatoren langs de muur, in oktober 2007 brandde de nieuwe verwarming voor het eerst tijdens een rouwdienst. Fa de Leeuw uit Koudekerk heeft de nieuwe verwarming geïnstalleerd.
 
Tijdens deze rouwdienst werd ook weer voor het eerst gebruikt gemaakt van de zijdeur aan de noordkant van de kerk. Door het steeds drukkere verkeer op de Hoogewaard en Bruggestraat stond er vaak een file bij een rouw of trouwdienst en de kerkrentmeesters zochten naar een oplossing om dit in het vervolg te voorkomen. Nu er toch bouwmateriaal achter de kerk geplaatst moest worden voor de restauratie heeft men dit grondig aangepakt. Het was vooral kerkrentmeester Piet Harting die zich sterk maakte voor het "rondje om de kerk" Op de in 1984 geruimde begraafplaats lagen nog diversen grafstenen en alle nabestaanden werden door hem opgezocht om te vragen of ze bezwaar hadden dat deze grafstenen in de nieuwe bestrating verwerkt zouden worden. Daarna werd de beplanting weggehaald en is er een nieuwe straat rond de kerk gemaakt, ook de in en uitritten zijn breder gemaakt en voorzien van nieuwe hekken die door gemeenteleden zijn geschonken.
 
2008
 
Op 10 maart 2008, een dag na de intrede dienst van Ds. F. de Ronde werd gestart met de tweede fase van de restauratie. De kerk werd rondom, op de koorzaal na, in de steigers gezet. De vieringtoren, het "kleine" torentje boven het kruis van de kerk was ernstig aangetast door weersinvloeden en was bovendien door het gewicht enkele centimeters in de kerk gezakt. Al het loodwerk (900 kilo) is vervangen en op de kerkzolder is extra versteviging aangebracht zodat het vieringtorentje niet verder zal zakken. Al het metsel en voegwerk wordt nagekeken en waarnodig vervangen. Het zink in de dakgoten is vernieuwd en ook het houtwerk wat verrot was is vervangen. Boven de zuidingang is de metalen latei vervangen door een van steen omdat deze door roestvorming de muur aantaste. Schilders zijn weken bezig met de binnenmuren, deze zijn ontdaan van loszittende verfresten wat enorm veel stofoverlast gaf. Net als in de koorzaal zijn ook in de kerk alle glas-in-lood ramen gerestaureerd.  Veel gemeenteleden en andere belangstellende volgden deze restauratie wekelijks via de digitale nieuwsbrief. Kerkrentmeester Johan Vergunst maakte veel foto's in en rond de kerk en verwerkte deze in een verslag wat naar 125 e-mailadressen werd verstuurd. Op 3 augustus, vijf maanden na het begin van de tweede fase kon men de kerk weer gebruiken voor de eredienst. De officiële opening werd op donderdag 25 september verricht door de burgemeester van Rijnwoude, mevrouw . A. Latenstein van Voorst - Woldringh. Tijdens deze opening sprak naast de voorzitter van de kerkenraad, Dhr. A. Hogenes ook de architect Dhr. P. van Velzen van architectenbureau Van der Sterre Peetoom die de hele restauratie begeleide. Op zaterdag 27 september organiseerde het College van kerkrentmeesters een open dag waar rond de 250 gemeenteleden en belangstellende gebruik van maakten. Op zondag 28 september werden de festiviteiten afgesloten met een vesperdienst.

-----------------------------------------------------------------------------